De kunst van het leven

Een kleinzoon op visite: viltstiften en papier op tafel. Geconcentreerd worden er wat lijnen getrokken: kleurig is het zeker! Er is veel wit over. Ik krijg de tekening. Navraag leert dat hij de poes getekend heeft. Hier geldt: ik zie wat jij niet ziet. Trouwens, ook non-figuratieve kunst verdient aandacht. Dan bedenkt hij zich: in het lege vlak komt nog een koppoter. ‘Dat ben jij’, zegt hij. De tekening is klaar, maar aan de poes en mij ontbreekt nog het een en ander. Ook jaren later ben ik nog steeds niet die ik zou moeten zijn. De abstracte poes was en bleef een raadsel. Een poes hoeft er alleen maar te zijn, terwijl mensen altijd nog (iets) moeten worden.

Recent stond er een paginagroot artikel in de krant over een echtpaar dat hun leven voltooid vond. Ze stapten er samen uit. Ik schrik daar toch van. Begonnen als psychiatrisch verpleger weet ik dat mensen in een diepe depressie de uitgang van het leven zoeken. Mijn grootvader, opgevreten door de kanker, smeekte de dokter: ‘Eén spuitje, dokter!’ Maar die kón en mocht dat toen niet doen. Zulke situaties zijn niet alleen ‘bespreekbaar’ geworden. Er kan en mag ook meer, zodat uitzichtloos lijden niet uitzichtloos blijft. Zelf heb ik op dit punt nog niets geregeld, want er zit nog te veel wit in mijn tekening. Als pastor heb ik ook ervaren dat ernstig zieken kozen voor blijven leven, terwijl ze de vooraf bepaalde pijngrens al ver overschreden waren. ‘Voltooid leven’, misschien kun je dat alleen als nabestaande zeggen. En dan nog.

Ik denk aan de indrukwekkende getuigenissen van overlevenden van concentratiekampen. Op hoge leeftijd waarschuwen zij in een schoolklas of documentaire tegen racisme en Jodenhaat. Leeftijd doet er niet meer toe: ze hebben ons nog steeds iets te zeggen. Inmiddels begin ik de leeftijd te naderen dat mijn leven ‘voltooid’ zou kunnen zijn. Terugziend heb ik niets te klagen. De kleurige lijnen van geboorte en opvoeding werden een vuurwerk van verliefdheid. Een ‘Haagse school’ van gezinsgeluk, afgewisseld door ‘ik rotzooi maar wat aan’ (Karel Appel) van tranen en verrassende inzichten en ontmoetingen. Vergeleken bij anderen – en dan hoef ik niet helemaal naar Moria op Lesbos – ben ik een bofkont. Menig getalenteerd mens had ik die bonusjaren na mijn vijftigste gegund, inclusief wat daarin verdrietig en onbegrijpelijk was. Op een punt stilgezet door niet te bevatten verlies was mijn tekenblad vol. Maar iemand ‘van de kerk’ belde aan om bloemen af te geven. Een oude vriend belde mij regelmatig op. ‘Voltooid’ blijkt toch iets wat je niet zelf uitmaakt. Er zijn ook nog de anderen. Niet alleen degenen die jou iets te geven hebben, maar ook degenen met wie je levenswinst en barmhartigheid kunt delen.

In een Delfts stadsgesprek over eenzaamheid vroegen we ons af wat er in de samenleving moet gebeuren. ‘Eenzamen wonen om de hoek’, zei een studente. ‘Met kleine stappen kunnen we een groot probleem aan, begin ermee!’ Ja, we kunnen kleur geven aan mensenlevens tot het genoeg is geweest.