Een kerstkransje of een sinaasappel

Hoe is het om op een verpleegafdeling voor demente bejaarden te wonen; is het een ‘thuis’ voor de bewoners? In De Thuishaven van stichting Cardia in Scheveningen voeren geestelijk verzorger Hanny van der Stelt en welzijnsmedewerker Anieke Hakvoort wekelijks gesprekken met bewoners die lijden aan dementie. 

‘Welke spreekwoorden of gezegdes kent u waarin het over thuis gaat?’ Predikant Hanny van der Stelt schenkt koffie en thee in, terwijl Anieke Hakvoort met de koekjes rondgaat. We zitten huiselijk in een kring in de kleine ‘bezielingsruimte’ die hiervoor is ingericht. Op een schoolbord staat de veelzeggende tekst geschreven: ‘Wie alles verloren heeft kan alleen nog maar winnen.’ Enkele bakken met sanseveria’s markeren de ingang naar de zitruimte.

‘Hoe vierde u vroeger thuis kerst?’ vraagt Van der Stelt. ‘Een kerstboom mocht niet, dat was goddeloos’, reageert iemand. Een uitgebreide kerstmaaltijd was ook niet aan de orde, daar was geen geld voor; je at net als op andere zondagen. Degenen die op de zondagsschool hebben gezeten weten het nog: daar vierden ze kerst in de kerk en kregen na afloop een leesboekje mee en een kerstkrans of nog luxer: een sinaasappel. Een mevrouw memoreert dat ze de sinaasappel niet opat maar meenam naar huis: ‘voor moeder, want er was bijna geen eten.’ 

Vuurtoren

De vijf bewoners blijken allemaal geboren en getogen Scheveningers te zijn. ‘Mijn wiegje stond bij de vuurtoren’, roept een mevrouw enthousiast. Enkele dames brachten hun jeugd door in Duindorp. ‘Dat was een fijne buurt. Iedereen zorgde voor elkaar. Dat gaf een veilig gevoel.’ De gesprekken worden regelmatig onderbroken door met elkaar bekende gezangen te zingen. Hakvoort deelt de teksten uit, in grote letters. Sommigen kennen de liederen uit hun hoofd. 

Van der Stelt maakt een sprong in de tijd van de plek ‘waar je wiegje heeft gestaan’ naar het hier en nu. ‘U merkte toen u ouder werd dat alles niet meer zo gemakkelijk ging als vroeger. De kinderen vroegen of het niet beter was dat u op een plek terechtkwam waar er op u gelet werd. En zo kwam u terecht in De Thuishaven. Was het moeilijk om die stap te zetten?’ Bij een mevrouw biggelt een voorzichtige traan over de wang. Ze heeft het er nog steeds moeilijk mee. Een ander meldt blijmoedig dat ze zelf voor deze stap gekozen heeft omdat ze zich thuis erg alleen voelde. Anderen beamen dat: men heeft hier veel gezelligheid aan elkaar. ‘Wat maakt dat je je ergens thuis voelt?’ vraagt Van der Stelt. ‘Dat je je eigen spulletjes om je heen hebt’, zegt iemand. ‘Dat er anderen zijn die om je geven’, vult een ander aan. Een pagina uit het boek De jongen, de mol, de vos en het paard van Charlie Mackesy gaat de kring rond en wordt uitvoerig bekeken: ‘Soms voel ik me verloren’, zei de jongen. ‘Ik ook’, zei de mol, ‘maar wij houden van je en liefde brengt je thuis.’

Eerst de kinderen

Van der Stelt vraagt de aanwezigen voor wie zij een kaarsje willen opsteken. ‘De kinderen’, klinkt het uit verschillende monden. ‘Eerst de kinderen, dan de echtgenoot.’ Er wordt gelachen: de moeders herkennen dit. ‘Voor mijn jonggestorven man, die mij achterliet met zes kinderen’, zegt een ander verdrietig. Bij elke naam wordt een kaarsje aangestoken. In het afsluitende gebed worden opnieuw de namen genoemd.

Een op de vijf ouderen krijgt dementie, is de onrustbarende boodschap in de media. Maar in De Thuishaven is zichtbaar dat er liefdevolle zorg voor hen is.