‘Wie de boon vindt, is de koning’

Op 6 januari is het Driekoningen. In de collectie van het Mauritshuis bevindt zich het schilderij Het zingen bij de ster op Driekoningen van Cornelis Troost. Hierop zien we een aantal kenmerkende en soms vergeten tradities rond dit vrolijke feest.

Het feest van Driekoningen werd vroeger in de Nederlanden traditioneel gevierd met een vrolijke maaltijd in familie- en vriendenkring. Driekoningen of Epifanie (dat ‘Openbaring van de Heer’ betekent) is ontstaan uit een middeleeuws kerkelijk feest dat op 6 januari werd gevierd. Op deze hoogtijdag werd in toneelvoorstellingen het verhaal uitgebeeld van de drie koningen uit het kerstverhaal. Geleid door een stralende ster gingen zij op weg om het kindje Jezus te zoeken en hem geschenken te brengen.

Na de Reformatie werden dat soort opvoeringen aan banden gelegd, maar katholieken konden het feest wel thuis blijven vieren. Op schilderijen van Jacob Jordaens en Jan Steen is te zien dat het een vrolijke boel was. Men trok lootjes om de rollen voor het toneelstukje te verdelen. Eén iemand werd de koning – dat kon ook een kind zijn – ofwel omdat hij het lootje met die rol had getrokken ofwel omdat hij een boon had gevonden in een speciaal gebakken koek. Op de schilderijen van Jordaens en Steen is ook te zien dat er met Driekoningen allerhande spelletjes werden gespeeld.

Gedoogd

Aanvankelijk werd het feest door de calvinisten afgekeurd, onder andere omdat er veel drank vloeide. Maar tegen het midden van de zeventiende eeuw was men toleranter en werden huiselijke Driekoningenvieringen gedoogd. Ook waren er zogeheten sterrenzangers die met papieren kronen op hun hoed en met een papieren ster langs de huizen trokken om te zingen. Die traditie werd in de achttiende eeuw voortgezet en is te zien op het hier afgebeelde schilderij van Cornelis Troost. We zien hoe de sterrenzangers zich verkleed hebben als de drie koningen. Ze zingen het sterrenlied en dragen een verlichte ster mee. De koningen of wijzen uit het Oosten – Caspar, Melchior en Balthasar – vertegenwoordigden onder andere de drie levensfasen van de mens: 20, 40 en 60 jaar. De man links heeft zich exotisch uitgedost als de oudste koning Balthasar, in een verkleedpak gemaakt van een oosters tapijt. Op zijn hoed draagt hij een mooi gedecoreerde kroon van behangselpapier. Een jonge vrouw houdt de stok vast waaraan de ster is vastgemaakt. Met een touwtje kan ze de ster voorzichtig bewegen en de kinderen vinden dit betoverend. De tweede koning, Melchior, draagt een rode papieren kroon en een schitterend wit gewaad. De jongste koning gaat rond met de bedelnap om geld op te halen. Zijn lange vlecht geeft hem een exotisch voorkomen, hetgeen men goed vond passen bij de rol van koning Caspar.

Huiszegen

Vandaag de dag is het Driekoningenfeest bijna verdwenen in Nederland, maar in veel landen is het nog een echte feestdag. Met name in Duitsland en Oostenrijk zijn dan boven veel huisdeuren de letters C+M+B te zien, met krijt geschreven door de sterrenzangers. De letters staan voor Caspar, Melchior en Balthasar, maar verwijzen tegelijkertijd naar een huiszegen: Christus Mansionem Benedictat (‘Christus zegent dit huis’). Al wordt het feest in Nederland niet meer uitbundig gevierd zoals op de zeventiende-eeuwse schilderijen, toch kunnen wij er bij stilstaan door bijvoorbeeld te luisteren naar de cantate die Johann Sebastian Bach schreef ter ere van Driekoningen 1724: ‘Sie werden aus Saba alle kommen’. Hierin wordt verteld over de kostbare geschenken van de drie koningen: goud, wierook en mirre. Gezongen wordt: ‘Wat nu als wij niet over zulke rijkdommen kunnen beschikken? Wat hebben wij Christus te bieden? Het goud van het geloof, de wierook van het gebed en de mirre van het geduld zijn de gaven die wij hem kunnen bieden met ons hart en onze ziel.’

Monique Varma, kunsthistorica en museumdocent

Fotobijschrift: Cornelis Troost (1696 – 1750). Het zingen bij de ster op Driekoningen