‘De drempels zitten vooral in ons hoofd’

0
231

Met je hardloopmaatje praten over je geloof

In zijn kerk organiseerde Jan van der Wolf een cursus over de vraag hoe je woorden kunt geven aan je geloof. Het zorgde voor verrassende inzichten. ‘Met elkaar houden we kennelijk een taboe in stand.’

Toen ik in onze kerk de cursus ‘Woorden geven aan je geloof’ aankondigde, werd ik verrast door de grote belangstelling. Alsof ik op een knop had gedrukt. De verlegenheid om iets te vertellen over wat je ten diepste beweegt is groot, maar het verlangen om het wél te doen is mogelijk nog groter.

Jeuk

Ik kom twee soorten verlegenheid tegen. Er is communicatieve schroom: wat zeg ik en hoe komt dat bij de ander over? Hoe zeg ik het zonder dat mijn collega er jeuk van krijgt? Daarnaast is er ook inhoudelijke verlegenheid: ik weet zelf eigenlijk niet goed of en wat ik geloof, laat staan dat ik dat kan delen met mijn hardloopmaatje. Ook willen we geen ‘zieltjes proberen te winnen’.

Tijdens de cursus verdiepen we ons in de drempels die we over moeten als we gesprekken over ons geloof willen voeren. We blijken met allerlei kleine en grote angsten te leven: ‘Ze vinden me vast een zweverig type.’ Of: ‘Zet ik de goede relatie met mijn buren niet op het spel?’ We ontdekken echter dat de drempels vooral in ons eigen hoofd zitten. Vaak zijn het projecties. Zo heeft iemand de ervaring dat een collega het hoogst interessant vindt dat hij naar de kerk gaat. De opdracht om op het werk te vertellen dat je naar kerk gaat heeft een opmerkelijke uitkomst: velen ontdekken dat ze absoluut niet de enige zijn. Iemands naaste collega blijkt zelfs in een kerkbestuur te zitten. Met elkaar houden we kennelijk een taboe in stand.

Weerwerk

In gesprekken waarin je geloof ter sprake komt, zijn drie zaken van belang: bezieling, vrijheid en integriteit. Je bent bezield, je bent aangesproken door iets of iemand buiten jouzelf, door God. Uiteindelijk is het niet voor niets dat je verlangt naar dit soort gesprekken. Er is iets van een ‘onherleidbare inspiratie’, want argumenten heb je er niet voor. Daarnaast moet er altijd vrijheid zijn. Het is aan je gesprekspartner om jouw opvattingen in overweging te nemen of niet. Er is ruimte voor vragen, twijfels en weerwerk. Deze vrijheid houdt ook in dat je soms van ophouden moet weten. Verder staat of valt alles met integriteit. Hoe betrouwbaar ben je? Klopt wat je zegt met hoe je je gedraagt? Eerlijkheid over je eigen geloof en je kwetsbaarheid daarin geeft veel verbinding.

Tijdens de cursus krijgen de deelnemers de opdracht: schrijf in maximaal 200 woorden op wat je gelooft. Begin bijvoorbeeld met de zin: ‘Geloven is voor mij …’, of: ‘God is voor mij …’ Zo schrijft iedereen zijn eigen kleine geloofsbelijdenis. Ook is er de opdracht: ga twee aan twee bij elkaar zitten en nodig elkaar uit om te vertellen over je geloof. Begin daarbij met een woord dat bij je opkomt als je aan geloven denkt. Iemand begint met het woord ‘hoop’.

In eerste instantie is er veel weerstand: ‘Ik kan dit niet.’ Maar even later is iedereen aan de slag. De geloofsbelijdenissen schrijven zichzelf en we lezen ze aan elkaar voor. Dat is een emotioneel gebeuren, maar gelukkig staat er een doos tissues op tafel. Ieder verhaal heeft zijn eigen woordgebruik, beeldspraak en reliëf, prachtig! Bij elke geloofsbelijdenis stellen we de vraag: wat is eigen in deze verwoording? De reflecties die dan gegeven worden, maken het nog waardevoller. Ze laten de kleur zien van ieders geloof, hoe zoekend ook.

Praten over je geloof doe je niet zomaar. Het maakt kwetsbaar omdat je over drempels heen moet. Daarom is het ook zo kostbaar.

Jan van der Wolf