Zijn wij ons het liefst van geen kwaad bewust?

0
161

‘Hoe moedig zouden we zelf zijn?’

Hoe kan het dat velen zo verrast en verbijsterd zijn door het oorlogsgeweld in Oekraïne? Er zijn toch voorbeelden genoeg in de recente en iets verdere geschiedenis? Of willen we ons liefst van geen kwaad bewust zijn?

De VS voorspelden het, maar zelf bezwoeren ze: ‘Nee hoor, gewoon oefeningen.’ Je denkt: het zal toch niet… Maar dan treft vernietigend oorlogsgeweld Oekraïne. En de agressor verklaart doodleuk: ‘We nemen gewoon wat van ons is.’ Verbijstering alom: wat bezielt die man in godsnaam?!

Die verbijstering geeft te denken. We hebben kwaadaardigheid toch volop zien woeden in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, de holocaust, de Goelag Archipel, Killing Fields, in Burundi, Srebrenica, Irak, Afghanistan, Jemen en Syrië? In criminaliteit en relationeel geweld in eigen land, huis of kerk? Dus: vanwaar de verbijstering? Kan het zijn dat wij ons in ons relatief vredige, veilige, verlichte westerse welzijnsleven liefst van geen kwaad bewust willen zijn? Dat het iets is uit een donker verleden, in vreemde verre streken, bij gestoorde anderen?

Nieuwe wreedheid

Vroeger vreesde men satans macht in en om ons heen: ‘Wees nuchter en waakzaam. Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om die te verslinden’ (1 Petrus 5,8). Uitdrijving van deze kwade kracht (en overige gelovige rimram) zocht men later in de absolute macht der Rede, desnoods met behulp van de guillotine. En vervolgens worden ook ándere godheden aanbeden: Geld, de Westerse Beschaving, Ras, de Nieuwe Mens, de Zuivere Leer, enzovoort. Allemaal eisen ze hun slachtoffers. En telkens brengt de strijd tegen deze goden nieuwe wreedheid.

‘Niemand wordt als moordenaar geboren’

Verbijstering hierover kan de wens voeden het kwaad definitiefuit de wereld te helpen. Maar dat is de dood in de pot. Immers: teneinde het kwade (in het groot en in het klein) radicaal uit te bannen, moeten we het buiten ons plaatsen, en tegelijk onszelf absolute kennis en macht over het goede toekennen. Dusdoende vergoddelijken wij onszelf. Maar aangezien wij onontkoombaar kwetsbaar en vergankelijk zijn, kan niemand god zijn zonder grootschalige of geniepige terreur: gewoon nemen wat van ons is, en wegduwen, vernietigen wat of wie ons niet past. Zo doen narcisten, (huis)tirannen, verkrachters, slachters dat. En zo blijft het kwaad zieden.

Monsterachtig

Het ligt buiten onze macht om alle kwaad te vernietigen. We kunnen ons echter wel inzetten voor het goede, nuchter erkennend dat het kwaad onszelf niet vreemd is. Geen mens is ‘onbevlekt’ ontvangen, geen samenleving zonder smet. Niemand wordt als moordenaar geboren, maar ieder moet leren groeien van zelfzuchtige begeerte naar respect, rechtvaardigheid, vriendschap, liefde. Of en hoe dat lukt, is mede afhankelijk van eigen aard en omstandigheden, het kan verschrikkelijk fout gaan. Zouden wij ons dus, onder ongunstiger gesternte, ook monsterachtig kunnen gedragen? Ik mag hopen van niet, maar waakzaamheid is geboden. Daarbij kan onze verbijstering helpen. Zij verbindt ons met wie zich, gruwelijker verbijsterd dan wij, bevinden in het hart van de duisternis, al die medemensen die wanhopig proberen te ontsnappen aan verderf en dood, daartegen verbeten vechten, daarin heldhaftig trachten het goede te doen. Met hun verschrikkingen voor ogen is mijns inziens de wezenlijker vraag: ‘Zou ik moedig zijn zoals zij?’ Ik mag het hopen, maar weet het absoluut niet zeker. Ik weet echter wél: onze verbinding in verbijstering hoedt het goede, want behoedt ons voor gewenning. Zo wijkt het kwade – een beetje.

Henk Meeuws, theoloog en gastvoorganger bij de Haagse Dominicus

Kunstwerk: Johann van der Noort, Bootvluchtelingen