Nu is het feest

0
250
Een kerstverhaal Ik sta met een medewerker van het asielzoekerscentrum voor de deur van een vrouw die weigert open te doen. De medewerker klopt en roept: ‘Narine, bezoek! Visitor! Een dominee!’ Het duurt een tijdje, maar dan gaat de deur op een kier.

Een angstige vrouw, onverzorgde haren en kleren, opent voorzichtig de deur. Ze ziet het kruisje dat ik draag en laat mij snel binnen. Dan gaat de deur weer op slot. De eerste horde is genomen. Het is een reusachtige troep in de kamer: lege plastic flesjes op de vloer, blikjes, vuile borden en kommen. Er staat een eenvoudige bank.

Nu de tweede barrière: de taal. Narine spreekt alleen Aramees. Ook mijn Engels of Duits overbrugt de kloof niet. Wat doe ik hier eigenlijk? De maatschappelijk werkster, Francien, had mij gebeld, want het azc zat met de handen in het haar. Sinds Narine, die hier met twee dochters was gearriveerd, begrepen had dat ze naar haar land terug moest, had ze zich in haar kamer verschanst. De twee meisjes hadden een eigen vertrek. Francien had haar erop gewezen dat ze rechtshulp kon krijgen, maar dan moest ze dat verzoek wel ondertekenen. En dat weigerde ze: ze kon het document niet lezen en vreesde toestemming te geven voor terugkeer. ‘Niemand kan mij helpen, alleen God’, had ze gezegd. En daar staat ze voor mij: al enkele dagen niet gegeten of zich gewassen. Het maakt haar ook wat leeftijdloos. Als ze zo op God vertrouwt, misschien moeten we dan de wijkpredikant vragen of hij kan bemiddelen, was de gedachte. Met handen en voeten probeer ik haar uit te leggen dat ze mij vertrouwen kan. Ze neemt mij mee naar een kast, waarin een reisicoon hangt. Daar gaat ze onder zitten en heft haar handen smekend omhoog. Ik maak haar duidelijk dat ik zal terugkomen en leg mijn hand zegenend op haar hoofd. Eenmaal thuis overleg ik telefonisch met Francien. Als woorden blokkeren en een tolk niet welkom is, wat dan? In een kartonnen doosje neem ik een halve boterham mee, twee drinkglaasjes en wijn. Nadat ik weer binnen ben, gaat ze gelijk weer in de kast zitten, veilig geborgen bij de icoon. Ik laat het brood en de wijn zien en gebaar dat Jezus ons dit gegeven heeft om ons te versterken. Nooit eerder heb ik zo de Maaltijd van de Heer gevierd. Maar te midden van de chaos en de benauwenis zie ik vertrouwen in haar ogen. De derde keer neem ik stoffer en blik mee en een vuilniszak. De vloer maak ik begaanbaar en ze komt naast mij op het bankje zitten. Ik zie inmiddels ook dat ze jonger is dan ik haar aanvankelijk geschat had. Als mensen openbloeien worden ze altijd jonger. Met de zegen en vruchtensap laat ik haar weer alleen. Met Francien spreek ik later af dat ik de keer erop de advocaat zal meenemen, zodat ze de aanvraag voor rechtshulp kan tekenen. Geen barricades meer als ik twee weken later weer aanklop. De kamer is leeg, want Narine loopt in de tuin met haar dochters! De advocaat krijgt zijn handtekening, ik zalf Narine met olie, als symbool van bekrachtiging, en Narine staat erop dat ik een pak koffie van haar aanneem. De procedure voor een verblijfsvergunning vraagt veel tijd. Na acht maanden worden Narine en haar dochters naar een ander azc overgeplaatst. Ik geef haar een grote bos bloemen, óók een taal om iets in te zeggen. Ze kust mijn handen en noemt mij ‘mon père’. In zo’n vreemd land, met alle onzekerheid over je toekomst, moet je als vluchteling steeds weer opnieuw beginnen. Maanden gaan voorbij en het is kerstmorgen. Ik ben laat terug uit de kerk en voor mijn huis wachten Narine en haar dochters mij op. Ze heeft bloemen meegebracht en koekjes voor ons gebakken. Hoe het met de procedure is, vraag ik. ‘Nu niet aan denken, nu is het feest’, zegt ze.   Rob van Essen   Foto: Russische reisicoon via vindmagazine.nl