‘Een viering is als een draaimolen’

0
91

Afsluiting winterlezingen ‘In alles de liefde’

Het is een oefening in duizeligheid, overgave en wildheid, aldus Johan Goud tijdens zijn vierde en laatste winterlezing in de remonstrantse kerk. Na avonden over liefde, denken en dichten stond op 6 december het kernwoord ‘vieren’ centraal.

Johan Goud is emeritus hoogleraar ‘religie en zingeving in literatuur en kunst’, en emeritus remonstrants predikant. De draaimolen is een van de talloze beelden die hij oproept in zijn boek over zijn persoonlijke geloofstocht, dat komend voorjaar verschijnt.

Een aantal hoofdstukken daaruit gebruikte hij als basis voor een serie lezingen met de overkoepelende titel ‘In alles de liefde’, afgelopen najaar in de remonstrantse kerk. In de aankondiging van de serie staat dat ‘liefde’ in het christelijk geloof een kernwoord is. Zo bezingt Paulus de liefde in I Korinthe 13. ‘Wat daarin opvalt, is het niet-spectaculaire van wat hij liefde noemt. Ze beschrijft de menselijke maat, die juist in kleine verhoudingen floreert.’

Fascinerend én griezelig

Het kernwoord van de laatste bijeenkomst was ‘vieren’. Dat je een viering kunt vergelijken met een draaimolen licht Goud als volgt toe: ‘Het is wonderlijk hoe fascinerend en aantrekkelijk – ook wel griezelig en vreeswekkend – zo’n molen blijft. Kinderen, menige oudere ook, kunnen niet anders dan erop springen en meedraaien. Het is een oefening in duizeligheid, overgave, wildheid, maar die binnen de perken van de molen wordt gehouden. Precies dat, de combinatie van wildheid en overgave enerzijds, vormvastheid en controle anderzijds, lijkt op wat in de eredienst gebeurt.’ In die eredienst geniet Goud van muziek en van meeslepende verhalen, en van het samen met anderen bidden, zingen en stil zijn. ‘Want vieren doe je samen met anderen. De liturgische activiteit doet een beroep op mensen van vlees en bloed. Liturgie houdt in: het lichamelijk in beweging komen en samen zijn, zingen en stil worden, bidden en denken, brood eten en wijn drinken, door beelden en muziek worden aangeraakt. Voorop staat de oprechte betrokkenheid van alle aanwezigen, voorganger en gemeente samen. Die toewijding brengt een eredienst buiten de sfeer van de magie. We ervaren God niet als een voorwerp van kennis of rituele manipulatie, maar hopen op de ontmoeting die ons optilt en verlicht.’

Ontsnappen

Wat betreft Goud klinkt in zo’n dienst vooral dichterlijke taal. Die taal verwijst naar wat essentieel voor ons is, maar tegelijk blijft dat essentiële ons ontsnappen. Dichterlijke taal verwoordt een elementair verlangen, een verwondering en een oervertrouwen. Dichters gebruiken symbolen en metaforen, waardoor alledaagse woorden en gebeurtenissen een nieuwe en verrassende betekenis krijgen. ‘Een betekenis die de eredienstvierders uitdaagt om in zichzelf een nieuw ik te ontwikkelen, een verlangend, verwonderd en vertrouwend ik.’ Tijdens zijn lezing strooit Goud kwistig met citaten, teksten en beelden, die op hun beurt zijn inzichten verhelderen door hun alledaagsheid. Ook mensen uit het publiek delen hun beelden. Aan het eind vraagt iemand hoe het thema ‘vieren’ zich verhoudt tot het overkoepelende thema van de liefde. Goud: ‘Ik heb het woord niet letterlijk gebruikt, maar terwijl ik over de eredienst sprak, zat het wel steeds in m’n achterhoofd.’ Een toehoorder vult aan: ‘In de liturgie gaat het om het openbaren van de liefde.’ Na afloop, tijdens een gezellig glaasje, brengt een vrouw dat eerdergenoemde niet-spectaculaire van de liefde onder woorden: ‘In een relatie zeg je ook niet voortdurend: oh wat hou ik van jou. Die liefde ís er gewoon. Net als in een viering.’  

Margot C. Berends  

 

Johan Goud, Een brief die niet meer dicht kan. Gesprek met mijn ongelovige alter ego. Uitgeverij Boekencentrum.